3 op 4 re-integratietrajecten leiden tot definitieve arbeidsongeschiktheid bij huidige werkgever

Vrijdag 19 mei 2017 — Sinds december vorig jaar is het KB van kracht dat werknemers die langdurig ziek zijn via re-integratie terug naar de werkvloer wil begeleiden. Mensura, Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, maakt een eerste balans op. Uit kwartaalcijfers blijkt dat het vooral werknemers zijn die tot dusver een re-integratietraject opstartten. Opvallend daarbij is dat na beoordeling de werknemer vaak definitief ongeschikt wordt verklaard om bij dezelfde werkgever het afgesproken of ander werk uit te voeren.

Het KB re-integratie bepaalt dat zowel de werknemer, de werkgever, de behandelende arts als het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) een re-integratietraject kunnen opstarten. In het geval van de werkgever kan dat pas na vier maanden ziekte.

Eerste kwartaalcijfers
Mensura behandelde in het eerste kwartaal zo’n 500-tal re-integratietrajecten. In 69% van de gevallen was het de werknemer die het initiatief nam. In 1 op 5 van de gevallen initieerde de werkgever de re-integratie. Het RIZIV tekent voor 9% van de cases.

De meeste aanvragen gebeurden in bedrijven van categorie C- (minder dan 200 werknemers met een preventieadviseur die een basisopleiding of geen vorming genoot) en D (minder dan 20 werknemers; de zaakvoerder is de interne preventieadviseur).

Zowel in categorieën C-, D en B (tussen de 20 en de 999 werknemers, afhankelijk van de risicoklasse) is het in twee op drie gevallen de werknemer die initieert. Enkel in categorie A (van 50 tot meer dan 1000 werknemers, afhankelijk van de risicoklasse) wijken de cijfers af. Daar is in bijna 4 op 5 gevallen (79%) de werknemer de aanvrager, in slechts 9% van de gevallen is dat de werkgever.

‘Definitief arbeidsongeschikt’ overheerst
Van het totale aantal doorlopen trajecten blijkt een groot deel (73%) te leiden tot de beslissing definitief arbeidsongeschikt voor het overeengekomen werk, zonder de mogelijkheid om ander of aangepast werk uit te voeren bij dezelfde werkgever.

In 14% luidt de uitspraak ook definitief arbeidsongeschikt voor het overeengekomen werk, maar is ander of aangepast werk wel nog een optie. In 7% is re-integratie opstarten om medische redenen niet opportuun.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid blijft minimaal: zowel met als zonder de mogelijkheid tot tussentijds ander of aangepast werk liggen ongeveer op 3%.

Opmerkelijke tendensen
Deze cijfers liggen in de lijn van de bevindingen die CoPrev, de vereniging van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, vrijgaf. Uiteraard is het op deze korte termijn en met het huidige aantal doorlopen trajecten voorbarig om grote conclusies te trekken. Ons land telt 392.000 langdurig zieken. Het is dus nog vroeg om grote beweringen te doen, maar er zijn toch enkele opmerkelijke tendensen”, aldus Marie-Noëlle Schmickler, Geneesheer Directeur van Mensura.

Dat bijna 3 op 4 trajecten leidt tot definitieve arbeidsongeschiktheid om het overeengekomen werk uit te voeren, zonder kans op alternatief werk bij dezelfde werkgever, stemt tot nadenken. Om de re-integratie-inspanningen succesvol te laten zijn, moeten arbeidsgeneesheren in overleg met werkgevers creatief naar oplossingen kijken. Definitieve ongeschiktheid moet een laatste optie zijn.

Tegelijk hoeft dit niet noodzakelijk slecht te zijn. In het geval van definitieve ongeschiktheid bij dezelfde werkgever kunnen de mutualiteiten een traject van socio-economische re-integratie opstarten. Via loopbaanbegeleiding wordt dan gezocht naar een geschikte werkplaats voor de werknemer in kwestie.

Re-integratie is niet nieuw. Vóór de nieuwe wetgeving waren er al werkgevers actief mee aan de slag. Mensura en CoPrev zullen deze cijfers verder opvolgen en erover rapporteren. Waar mogelijk formuleren we aanbevelingen om van re-integratie een succes te maken.”

Marie-Noëlle Schmickler<br/>Geneesheer Directeur van Mensura